Mylan ter Vrugt maakte zijn stotteren bespreekbaar en is nu vrijer dan ooit

Even vragen waar de wc is, iemand feliciteren, een kennis gedag zeggen. Wat menigeen gedachteloos doet, kan voor een stotteraar ontaarden in een sociale crash. In een adembenemend dagboekrelaas laat student Mylan ter Vrugt zien wat het betekent als stotteren je leven beheerst. 

Om soepeler te praten, heeft Mylan ter Vrugt (21) trucjes. Zo voorkomt hij blokkades door lukraak het woord ‘de’ in zinnen te planten: ‘Ik ga naar de Daan om voetbal te kijken.’ Wat eveneens werkt is expres herhalen: ‘Ik ga naar de sport sportschool.’ Ook een vorm van stotteren natuurlijk, maar voor Mylan voelt dat beter dan blokkeren. Bij een blokkade verkrampt zijn kaak en kan hij geen woord meer uitbrengen. Zijn ogen knijpt hij dan – ongewild – dicht. Even is hij van de wereld.

Op een dag kwam er weer een nieuwe truc bij. Mylan merkte dat het woord ‘nee’ wonderen doet als hij daarmee een zin begint. In smalltalk kan dat onopvallend bij willekeurige zinnen. Gevraagd naar je plannen voor het weekend, zeg je: ‘Nee, is het al zover? Oh ja, ik ga dit en dat doen.’ Helaas voor Mylan bleek het toch onhandig. Toen zijn chef hem iets vroeg waarop het gepaste antwoord ‘ja’ is – en hij dat bevestigende antwoord graag wilde geven – begon hij zijn zin met ‘nee’. Verwarring alom.

Welkom in de wereld van Mylan ter Vrugt uit het Gelderse Kilder. Student Finance & Control aan de HAN. Onlangs debuteerde hij met Ik Stotter(de) – stotterende stappen gaan ook vooruit, in eigen beheer, gedrukt door Boekscout. De kracht van het boek zit ‘m in de eenvoud waarmee hij het alledaagse beschrijft vanuit stotterperspectief. Zoals een kappersbezoek, een loket bellen en onder de les vragen om naar de wc te mogen. Wat vloeiendsprekers achteloos doen, mondde bij Mylan vaak uit in een sociale crash. Spannende situaties speelde hij vooraf tig keer als een enge film af, wat de spreekangst voedde en het stotteren verergerde.

De kat uit de boom
Ik Stotter(de) leest als een dag- en zelfhulpboek ineen. We volgen de hoofdpersoon in zijn eerste jaren op de hogeschool. Een periode waarin hij besluit niet meer te vluchten en zijn vleugels uit te slaan. Herkenbaar voor menigeen, maar bij stotteraars is zo’n nieuwe omgeving – hoe je jezelf daarin positioneert – een nog grotere uitdaging. Zoals de meeste stotteraars stottert Mylan niet altijd. Bij vrienden en in de pauzes bij klasgenoten is het vrijwel afwezig. Bij presentaties en als er druk op zit (bijvoorbeeld een kennis aanspreken op wie je een goede indruk wilt maken) manifesteert het stotteren zich nogal eens in blokkades.

Zit Mylan in zijn comfortzone, dan maakt hij grapjes, zoekt grenzen op en gaat er soms overheen. In situaties daarbuiten kijkt hij de kat uit de boom. Of komt hij – als een beurt onvermijdelijk is – piepend en krakend tot stilstand. Het zelfhulpgedeelte zit ‘m in de laatste pagina’s. Daar beschrijft hij het moment waarop hij in die informele zone niet meer de clown hoeft uit te hangen (overcompensatie) en daarbuiten de stotters laat komen zonder negatieve gedachten erbij. Hij hoeft dan niet meer te doen alsof hij een vloeiendspreker is. Gewoon, door te vertellen dat hij stottert. Hij laat zich niet meer gijzelen door de (vaak onuitgesproken) meningen.

We zijn dan al wel op pagina 72 van de 84 pagina’s. Ik citeer: “Langzaamaan durf ik te zeggen dat ik heb geaccepteerd dat ik stotter. Met kleine stapjes kwam ik op dit punt. Ik laat mij er niet meer door weerhouden. Natuurlijk stotter ik nog, maar ik leef mét de stotter, ik leef niet meer de stotter.” Acceptatie dus. Klinkt logisch, maar ga d’r maar aanstaan in een wereld gedomineerd door vloeiendsprekers die fronzen of wegkijken zodra je blijft hangen. Werkgevers/docenten die je ervan weerhouden bepaalde spreektaken op je te nemen of juist van je eisen dat je die taken net zo uitvoert als anderen. Stotteraars ‘gelijk behandelen’ komt vaak neer op ‘geen enkele inspanning doen om de handicap voor hen te verlichten’ – zoals wel gebruikelijk is bij andere beperkingen, zoals slechtziendheid, dyslexie of rolstoelgebruik.

Weg van het ongemak
De zelfreflectie die Mylan aan de dag legt in hoe zijn spreken doorwerkt in zijn karakter, is bewonderenswaardig. Hij toont tegelijk een samenleving die zich niet altijd raad weet met stotteraars. Het is de kunst, zo betoogt hij, om je daar weinig van aan te trekken en geen gedachten in te vullen voor de ander. Blijkt het toch lastig om niet aan de ‘olifant in de kamer’ te denken (naderende spreekuitdaging), dan geeft hij zichzelf vijf minuten, geen seconde langer. De afspraak die hij met zichzelf maakt is dat hij er alleen op een positieve manier aan mag denken.

Ik Stotter(de) beschrijft hoe Mylan uit de stottergevangenis breekt, maar dat wil niet zeggen dat dit voor iedere stotteraar hét pad is. Verborgen stotteraars (zij die vloeiend spreken, maar alleen omdat ze bepaalde woorden vermijden) kunnen zelfs meer last van hun handicap hebben dan zware stotteraars die zich erin berusten. Omgevingen van stotteraars verschillen ook nogal. Hoewel iedereen geacht wordt ‘normaal te praten’, zal een verkoper meer druk ervaren dan een muzikant.

Ondanks dit voorbehoud, zie ik (als stotterende journalist) dit boek als must read voor iedereen die stotteren wil begrijpen. Voor collega’s, klasgenoten, docenten en familie van stotteraars. Uit Mylans boek blijkt hoe ongemakkelijk er met stotteren wordt omgegaan. Soms door de stotteraar zélf (die zich als vloeiendspreker probeert te gedragen) of de omgeving (die de stotteraar vaak goedbedoeld ‘niet anders dan anderen’ wil behandelen). Die ‘ongemakkelijke omgang’ is onhoudbaar, leert dit boek. Mylan stottert en daar heeft iedereen gewoon mee te dealen! (Foto Jesra Blom)

Citaten uit het boek (hier en daar beknopter geformuleerd dan in het origineel)

Mijn stotter had mij in de houdgreep. Mijn motto destijds was: ‘als je niet praat, dan stotter je ook niet.’ Momenten waarop ik zou moeten praten, ontweek ik en dat leidde ertoe dat ik een zenuwachtig en gesloten jongetje werd. Ik liep weg voor het spreken, was verre van mijzelf.

Ik stotterde en dat viel op. Voor het stotteren schaamde ik mij zo erg, dat ik minder ging praten, ik begon te vluchten voor het spreken. De momenten waarop ik wel moest praten, ging ik juist heel snel praten, om de woorden er maar uit te duwen.

Aan de meningen van anderen begon ik erg veel waarde te hechten. 

Mijn persoonlijkheid is sterk veranderd door mijn stotter.

Had ik een vraag over de lesstof, dan stak ik mijn hand niet op. Ik was te onzeker over mijn gestotter, en probeerde het te verbergen. Waar ik mij toen nog niet van bewust was: hoe meer je iets probeert te verbergen, hoe meer het gaat opvallen. Waarschijnlijk zagen anderen mij als een apart jongetje. Ik zei nooit wat en als ik wel wat zei, probeerde ik de woorden er zo snel mogelijk uit te krijgen, dat ik onverstaanbaar werd en weinigen mij begrepen.

Tijdens de lessen was ik altijd zenuwachtig. Ik was zelden bezig met de stof. Ik hoopte alleen maar dat ik geen beurt zou krijgen. Kreeg ik toch een beurt, dan zei ik maar dat ik het antwoord niet wist, terwijl het in mijn schriftje voor mij stond. Ik zag er tegenop om te moeten vragen of ik naar de wc mocht. Ik hield het wel op. Ik wilde geen broodje bestellen bij de kantine, ik gaf iemand van mijn klas vijftig cent extra om het broodje voor mij te halen.

Als ik stotterde, liep ik helemaal vast. Er kwam niks meer uit. Mijn mond bewoog wel, maar ik zei niks. ‘Heb je last van je kaak’, werd mij weleens gevraagd tijdens zo’n stotter.

Het debat, een schoolopdracht, verliep dramatisch. De tijd was al om voordat ik mijn eerste argument had benoemd. Het was drie minuten per ronde. Toen kwamen die verwarde gezichten weer en daarna – nog erger – het medelijden. ‘Je doet je best’, zei de leraar.

Mijn stotter heb ik op de middelbare school slecht behandeld en niet openbaar gemaakt. In plaats daarvan trok ik helemaal weg. Dit had ik veel beter kunnen aanpakken.

Tegen andere klasgenoten, buiten mijn vrienden, zei ik niks. Als ik een vraag had over de stof, stak ik mijn hand niet op. Ik was te onzeker over mijn gestotter, dat ik het helemaal probeerde te verbergen.

Ik schaamde mij en piekerde me suf. Ik wilde gewoon normaal praten, net zoals ieder ander.

Als iemand halt hield voor ons tafeltje en ‘nou zeg het eens’ zei, gingen mijn ogen gelijk naar mijn projectgenoot. Ik was die avond zo afhankelijk van hem. Ik stond daar maar.” (Bij presentaties profielwerkstukken, in de aula van de middelbare school.)


Ik Stotter(de) – Stotterende stappen gaan ook vooruit (paperback, 84 pagina’s, 16,99 euro) is te bestellen via Boekscout.nl.